Hoofdstuk 5:                                    Zorg op maat

Ieder kind moet de zorg en aandacht krijgen die het nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. Een aai over de bol,  een gesprek omdat het verdrietig is, extra ondersteuning omdat het de sommen moeilijk vindt, of een compliment omdat het iets anders gedaan heeft waarvoor het zichzelf heeft moeten overwinnen.

De basis voor onze leerlingenzorg ligt in de wijze waarop wij binnen onze school werken. Hierbij spelen de kanjerlessen en handelingsgericht werken een belangrijke rol.
Wij gaan er bovendien van uit dat de combinatie van gestructureerd onderwijs en leren door te doen en te ervaren voor de meeste kinderen een ideale mix oplevert. Alle kinderen krijgen de zorg die zij nodig hebben van de eigen leerkracht, in de eigen groep en waar nodig ook daarbuiten.
Om zich goed te kunnen ontwikkelen, moeten kinderen goed in hun vel zitten en zich prettig voelen in de klas. Alle leerkrachten houden daarom in de gaten of een kind vriendjes en vriendinnetjes heeft, hoe het zich in de groep gedraagt en of het goed kan samenwerken. De groepsleerkrachten kunnen daarbij gebruik maken van sociogrammen en het leerlingvolgsysteem van de Kanjertraining. De verkregen informatie kan weer gebruikt worden voor de samenstelling van groepjes voor het samenwerken.
De kinderen voelen zich veilig bij ons op school. Dit meten we elk jaar. De kinderen van groep 5 t/m 8 vullen een vragenlijst in vanuit de Kanjertraining. De leerkracht vult ook een lijst in voor elk kind. Opvallende zaken worden besproken met het kind en eventueel de ouders. Vervolgafspraken worden indien nodig gemaakt.

Het meten van de ontwikkeling
Om een goed beeld te krijgen van de ontwikkeling van onze kinderen, meten wij met enige regelmaat hun vorderingen. Wij doen dit met behulp van de tussentijdse toetsen van CITO. Bij de kleuters nemen we de toetsen “ Taal voor kleuters” en “Rekenen voor kleuters” af. Ook wordt een observatielijst gehanteerd, waarbij kinderen regelmatig aan de hand van speciale “kijkpunten”  worden bekeken en zo de totale ontwikkeling nauwlettend wordt gevolgd.
Vanaf groep 3 worden de leerlingen getoetst op de gebieden: rekenen, spelling, lezen, begrijpend lezen en woordenschat. Het meten van de vorderingen biedt ons de kans om preventief te handelen en vroegtijdig te signaleren. Zijn er problemen, dan speelt de leerkracht hierop in met een herhaling van de leerstof of bijvoorbeeld een andere vorm van instructie. Het meten van vorderingen is ook een goed middel om te zien of een leerling onder zijn of haar niveau werkt.
Kinderen die extra uitdaging nodig hebben, krijgen meer uitdagende oefeningen en hoeven de leerstof minder vaak te herhalen. Ook de pluslessen spelen op deze behoefte in. Is dit niet genoeg, dan is het ook mogelijk om te versnellen en bijvoorbeeld  een groep over te slaan.
De leerkrachten beschrijven het programma dat zij uitvoeren in een groepsplan. Dit begeleidingstraject vindt 4 keer per jaar plaats en heeft een cyclisch karakter. De leerkracht evalueert het plan structureel en stelt aan de hand van de evaluatie nieuwe doelen op, dit in overleg met de intern begeleider. Uiteraard worden de betreffende ouders actief betrokken en goed geïnformeerd over de vorderingen van hun kind.

Herfstkinderen

Het schoolbeleid m.b.t. kinderen die tussen 1 oktober en 1 januari geboren zijn is als volgt:
Deze kinderen kunnen na ca. 1,5 jaar doorstromen naar groep 3 zonder dat er sprake is van versnelling.  Omgekeerd betekent het dat herfstkinderen die wel 2,5 jaar doen over de eerste 2 groepen, een extra jaar aan hun schoolloopbaan toevoegen. Dit zal dan moeten worden  verantwoord met een goede onderbouwing.
Wij zullen samen met de ouders een verantwoorde keuze maken waarbij het uitgangspunt is:
  1. het kind staat centraal
  2. de leerkracht zal de vorderingen nauwlettend volgen
 
Het kind zal worden gevolgd op de volgende aspecten:
  1. sociaal-emotionele ontwikkeling                            
  2. werkhouding
  3. spelontwikkeling
  4. motorische ontwikkeling
  5. taal-denkontwikkeling
 
Bovenstaande criteria vormen de hoofdaspecten van ons observatie-instrument: de Kijkpuntenlijst. Deze vijf criteria moeten overtuigend aanwezig zijn om een kind door te laten stromen naar groep 2 of groep 3. We gaan er dus niet direct  vanuit, dat ieder “herfstkind” maar doorstroomt.
Aangezien een kind zich zelden in een rechte, opwaartse lijn ontwikkelt, zal er na een paar maanden eventueel opnieuw een gesprek met de ouder(s)  plaatsvinden om te kijken of  het kind een goede en verantwoorde vooruitgang heeft geboekt.
Om tot een verantwoorde keuze te komen volgen we de volgende procedure:
  • De leerkracht krijgt voorinformatie over de leerling van de ouders (huisbezoek en intakelijst) en van peuterspeelzaal (observatielijst). Deze wordt door de ouders zelf verstrekt.
  • Na 4 tot 6 weken volgt een gesprek met ouders (helder beeld van kind krijgen, afstemmen benadering en informatie geven over de gang van zaken op school).
  • Leerkracht observeert de leerling in januari m.b.v. Kijkpuntenlijst (objectief beeld van ontwikkelingsniveau en specifieke onderwijsbehoeften).
  • In februari leerling bespreking tijdens onderbouwvergadering (leerkracht verstrekt informatie).
  • Ouders worden in februari geïnformeerd tijdens oudergesprek. Indien begeleidingstraject nodig is wordt dit aangegeven.
  • Leerkracht houdt ontwikkeling van het herfstkind extra in de gaten. Ouders worden op de hoogte gehouden.
  • In april/mei moet duidelijk zijn of het herfstkind voldoende is toegerust om “door te stromen”.
  • In mei observeert de leerkracht de leerling m.b.v. de Kijkpuntenlijst. De leerkracht krijgt zo een objectief beeld van de vooruitgang van de ontwikkelingsgebieden van elk kind en eventueel het rendement van de extra begeleiding.
  • De leerkracht zorgt voor  gedegen informatie, waarom een leerling wel of niet doorstroomt
  • De leerkracht bespreekt de informatie met de intern begeleider + directie en bepaalt standpunt.
  • De betreffende leerlingen worden tijdens een onderbouwvergadering besproken.
  • De ouders worden geïnformeerd over het standpunt van de school tijdens een gesprek.
  • Mochten ouders problemen hebben met de beslissing, dan wordt een gesprek met de leerkracht, intern begeleider en de directie geregeld.
 
Hulp van anderen
Lukt het niet een kind binnen redelijke termijn op het niveau van de groep terug te krijgen, dan kunnen we onze begeleidingsvraag of handelingsverlegenheid bespreken met onze leerlingbegeleider Wilma Stoverinck (EPOS/WSNS). Dit consultatiegesprek kan leiden tot een nieuwe of specifiekere aanpak en ook tot nader onderzoek van de leerling.
Uiteraard wordt de ouders altijd schriftelijk toestemming gevraagd om hun medewerking te verlenen aan dergelijke stappen en worden zij actief betrokken bij het gehele traject.
Indien de onderwijsbehoeften niet helder te krijgen zijn, dan kunnen we in overleg met ouders besluiten dat nader onderzoek of observatie noodzakelijk is. Ouders en school (groepsleerkracht en intern begeleider) verzorgen gezamenlijk de aanmelding bij het Zorgplatform.
Het Zorgplatform Salland kan voor de volgende zaken ingeschakeld worden:
  • Aanvraag advies/inzet breed zorgteam (ZAT). Soms heeft een kind te maken met complexere problemen en /of zijn meerdere organisaties bij het kind betrokken.
In zo’n situatie kan voor de afstemming en advies een bespreking in een breed    Zorgteam voorgesteld worden.
  • Aanvraag inzet team het Jonge Kind (JK). Als in groep 1 of 2 blijkt dat een kleuter een achterstand heeft of het gedrag opvalt, dan kan een aanvraag voor ondersteuning van het team JK bij het zorgplatform ingediend worden
  • Informatie over zorg(procedures) en over indicatietraject Speciaal Onderwijs (SO)
  • Informatie m.b.t. steunpunten dyslexie en hoogbegaafdheid
  • Uitvoeren van psychologisch onderzoek
  • Aanvraag beschikking speciaal basisonderwijs bij de permanente commissie leerlingenzorg (PCL). Als de zorg van een basisschool ontoereikend is, kan het zinvol zijn een speciale vorm van basisonderwijs te gaan volgen. Hiervoor wordt door het PCL een beschikking afgegeven          
 
Passend onderwijs
Binnen de wet Passend Onderwijs (vanaf augustus 2014) zijn scholen, door de zorgplicht, verantwoordelijk om elk kind een goede onderwijsplek te bieden. Bij voorkeur op de eigen school, eventueel met extra ondersteuning in de groep, op een andere reguliere school in de regio of in het speciaal (basis) onderwijs. Er wordt gewerkt vanuit een kader, waarbinnen de leerkracht, de intern begeleider, ouders/verzorgers, kind en externe partners constructief samenwerken. Alle scholen in de gemeente Raalte en Olst-Wijhe maken deel uit van het samenwerkingsverband Passend Onderwijs 23-05 PO. Daarbinnen maakt de Springplank deel uit van de Sallandse deelregio.
 
Doel en werkwijze Sallandse deelregio
De missie van de Sallandse deelregio is gebaseerd op het motto:  “Voor ieder kind uit Salland is er onderwijs in Salland.”
Binnen de Sallandse deelregio werken we in het onderwijsland samen aan één centrale opdracht: “Het inrichten van een ondersteuningsstructuur waarbij elke leerling die ondersteuning krijgt die hij/zij nodig heeft om, thuisnabij, een ononderbroken ontwikkelingsproces te kunnen doorlopen. “
De autonomie van elke school, de samenwerking school-ouders, de actieve samenwerking met andere partners binnen en buiten de Sallandse deelregio, de centrale positie van het kind in het onderwijs, handelingsgericht werken en het professioneel handelen van de leerkracht zijn de peilers van de werkwijze binnen de Sallands deelregio. De leraar is hierbij de belangrijkste schakel. Ondersteuning is vooral gericht op het dagelijks handelen van de leraar en het primaire proces.
Het uiteindelijke doel is het opvangen van zo veel mogelijk kinderen in de reguliere basisschool. Met uitzondering van de kinderen die een speciale onderwijsbehoefte hebben. Voor deze kinderen biedt het speciaal (basis) onderwijs een passende plek. Uit het schoolondersteuningsprofiel (SOP) van de school blijkt waar de mogelijkheden en de grenzen wat betreft de ondersteuning binnen onze school liggen. Het SOP ligt ter inzage op school.
Wanneer een vraag m.b.t. de onderwijsbehoefte van een kind de mogelijkheden van de school overstijgt, kan er een beroep worden gedaan op het Expertisecentrum Passend Onderwijs Salland (EPOS). Het EPOS organiseert via de Commissie  Arrangeren en Toedelen (CAT) de toedeling van ‘zware’ ondersteuningsarrangementen door de handelingsverlegenheid/begeleidingsvraag af te zetten tegen het SOP van de school. Bij ‘zware’ ondersteuning spreken we van begeleiding die intensief en langdurig of structureel is. Het EPOS organiseert vervolgens de begeleiding en ondersteuning, in de vorm van een arrangement. Hierbij wordt beschikbare expertise (bijvoorbeeld Team het Jonge Kind, collegiale consulenten en ambulant begeleiders) ingezet.
Wanneer duidelijk wordt dat een leerling beter op zijn plek is binnen het speciaal (basis) onderwijs verzoekt de CAT het samenwerkingsverband Passend Onderwijs 23-05 een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal (basis) onderwijs af te geven. De toedeling van ‘lichte’ ondersteuningsarrangementen gaat rechtstreeks via het EPOS. Lichte ondersteuning is curatief en vaak van korte duur.
Het vaststellen van het gewenste arrangement en de uitvoering vindt zo veel mogelijk op schoolniveau plaats, in constructieve samenwerking met ouders/verzorgers, de orthopedagoog en de betrokken ketenpartners. De intern begeleider begeleidt dit proces.

De gezondheid van uw kind
Medewerkers van de GGD onderzoeken in groep 2 het spraakvermogen en het gehoor- en gezichtsvermogen van uw kind. Zit uw kind in deze groep, dan krijgt u bovendien een uitnodiging voor een gesprek met een verpleegkundige over de gezondheid van uw kind. Als ouder kunt u bij dit onderzoek aanwezig zijn, maar in principe vindt dit zonder u plaats. Voorafgaand aan het onderzoek vult u een vragenlijst en een toestemmingsformulier in.
Tijdens deze onderzoeken wordt uw kind op groei en ontwikkeling onderzocht. Daarbij kan het gehoor en gezichtsvermogen worden gemeten en worden lengte en gewicht bepaald. Ook wordt gekeken naar de motoriek en  waar nodig wordt verder lichamelijk onderzoek verricht. Daarnaast is er aandacht voor het functioneren van uw kind op school, thuis en in de vrije tijd.
In groep 7 komen kinderen zelfstandig naar de doktersassistente. Op deze leeftijd staan ontwikkeling en leefstijl centraal. De resultaten van het onderzoek krijgt het kind mee naar huis. Een vervolggesprek is mogelijk. Hierbij kan het initiatief zowel bij de ouder, de school als de GGD liggen. De jeugdverpleegkundige en/of de jeugdarts hebben regelmatig contact met onze intern begeleider over kinderen waarvoor extra zorg nodig is. Betrokken ouders zijn hiervan op de hoogte.
Naast de onderzoeken in groep 2 en groep 7 houdt de jeugdverpleegkundige spreekuur op onze brede school. Het spreekuur is bedoeld voor alle kinderen van de school. U kunt hier terecht met vragen over: opvoeding, gedrag, zindelijkheid, slapen, ogen/oren, voeding, over- of ondergewicht, pesten en  puberteit.
Het spreekuur begint met een half uur vrije inloop (van 8.30 – 9.00 uur) . Aansluitend vindt het spreekuur op afspraak plaats (tot 13.00 uur). Het spreekuur is gratis en u heeft geen verwijskaart van de huisarts nodig. Met alle gegevens wordt vertrouwelijk omgegaan.
Contacten met de jeugdverpleegkundige, Marloes van der Kamp-Post,  kunnen via de intern begeleider (Anita Schutte) gelegd worden. U kunt ook via de mail (m.vander.kamp@ggdijsselland.nl) rechtstreeks een afspraak maken.
Algemeen telefoonnummer JGZ : 038-4281506
Werkdagen jeugdverpleegkundige: maandag, dinsdag, donderdag
De data van de inloopspreekuren voor het schooljaar 2015-2016 zijn:
  • 20 augustus 2015                                           
  • 17 september 2015                                      
  • 29 oktober 2015                                             
  • 26 november 2015                                        
  • 10 december 2015         
  • 28 januari 2016
  • 25 februari 2016
  • 24 maart 2016
  • 07 april 2016     
  • 19 mei 2016
  • 30 juni 2016

 

 

30